Aanloop en oorzaken
Rond 1870 kon je al berichten over draden versturen met de telegraaf, maar alleen in morsecode: stipjes en streepjes. Uitvinders probeerden daarom stemmen door een draad te sturen.
Alexander Graham Bell, geboren in Edinburgh, werkte in de Verenigde Staten. Hij onderzocht geluid en werkte samen met zijn assistent Thomas Watson.
Wat er gebeurde
Op 14 februari 1876 diende Bell zijn octrooiaanvraag voor de telefoon in. Het octrooi werd op 7 maart toegekend. Drie dagen later sprak hij de beroemde woorden tegen zijn assistent in een andere kamer: “Mr. Watson, come here.” Watson kwam direct.
Het telegraafbedrijf Western Union wilde de uitvinding niet kopen. Daarom richtte Bell in 1877 samen met zijn financier Hubbard zelf de Bell Telephone Company op. Die groeide uit tot een van de grootste bedrijven ter wereld.
In Nederland nam het telefoneren snel toe. In 1915 waren er 75.000 abonnees. In 1925 kwam in Haarlem de eerste automatische centrale: je kon zelf een nummer kiezen. In 1962 was heel Nederland geautomatiseerd, als tweede land ter wereld na Zwitserland.
Gevolgen
De telefoon veranderde het zakenleven: handelaren, banken en kranten konden direct met elkaar praten in plaats van brieven of telegrammen te sturen. Later kwamen er telefooncellen op straat en kregen steeds meer gezinnen een eigen toestel.
Telefonistes, bijna allemaal jonge vrouwen, verbonden gesprekken met de hand in de telefooncentrales. Het was een van de eerste kantoorberoepen voor vrouwen. Met de automatische centrales verdween dat werk weer.
Andere perspectieven
Bell wordt vaak genoemd als uitvinder van de telefoon, maar het was een gedeelde uitvinding. Ook Antonio Meucci, Elisha Gray en Philipp Reis leverden een bijdrage. Over wie het octrooi toekwam, volgden jarenlang rechtszaken.
Veelvoorkomende misverstanden
“Bell vond de telefoon in zijn eentje uit.”
Meerdere uitvinders werkten tegelijk aan het idee. Elisha Gray diende op dezelfde dag als Bell een aanvraag in, en Antonio Meucci en Philipp Reis hadden eerder vergelijkbare toestellen gemaakt. Bell kreeg het octrooi.
“De eerste telefoons hadden een kiesschijf.”
Bij de eerste telefoons kon je geen nummer kiezen. Je draaide aan een slinger of nam de hoorn op, en een telefoniste in de centrale verbond je met de persoon die je wilde spreken.
Hoe weten we dit?
De octrooiaanvragen, de notitieboekjes van Bell en de verslagen van de rechtszaken zijn bewaard. Ook de reclame en telefoonboeken van vroeger laten zien hoe de telefoon zich verspreidde. Oude toestellen en centrales staan in musea.
Wat merk je er nu nog van?
Bijna iedereen heeft een smartphone, die veel meer kan dan bellen: het is ook camera, computer en kaart in één. Vaste telefoonlijnen worden steeds minder gebruikt. Het internet ging in de beginjaren via de telefoonlijn.

