Aanloop en oorzaken
Europa was rond 1914 verdeeld in twee blokken. Duitsland en Oostenrijk-Hongarije stonden tegenover Frankrijk en Rusland, en Groot-Brittannië had nauwe afspraken met die laatste twee. Alle grote landen hadden uitgewerkte plannen om snel te mobiliseren.
Na de moord in Sarajevo wilde Oostenrijk-Hongarije Servië straffen. Begin juli beloofde Duitsland onvoorwaardelijke steun, later de blanco cheque genoemd. Daarmee voelde Wenen zich gesterkt om hard op te treden.
Wat er gebeurde
Op 23 juli stuurde Oostenrijk-Hongarije Servië een ultimatum met een termijn van 48 uur. Servië aanvaardde bijna alle eisen, maar niet allemaal. Het weigerde vooral dat Oostenrijkse ambtenaren op Servisch grondgebied mochten meezoeken naar de daders. Op 28 juli volgde de oorlogsverklaring.
Rusland zag zich als beschermer van Servië en mobiliseerde op 30 juli zijn leger. Duitsland verklaarde Rusland op 1 augustus de oorlog en Frankrijk op 3 augustus. Het Duitse plan was om eerst Frankrijk snel te verslaan, via België.
Toen Duitse troepen op 4 augustus België binnenvielen, verklaarde Groot-Brittannië Duitsland de oorlog. Binnen een week was een regionaal conflict een Europese oorlog geworden.
Gevolgen
In vijf weken werd een conflict tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië een oorlog tussen alle Europese grootmachten. Door hun koloniën en bondgenoten raakten al snel ook landen in Afrika, Azië en het Midden-Oosten betrokken.
De vraag wie schuldig was, kreeg na de oorlog grote gevolgen. In artikel 231 van het Verdrag van Versailles moest Duitsland de verantwoordelijkheid voor de oorlog aanvaarden. In Duitsland werd dat als een vernedering gezien, en de nazi’s maakten er later dankbaar gebruik van.
Andere perspectieven
Elke regering zag zichzelf als verdediger. In Berlijn sprak men van omsingeling, in Parijs en Londen van Duitse agressie. In veel steden juichten menigten, maar op het platteland heerste vaker bezorgdheid. Arbeiders en socialisten die eerder tegen oorlog hadden betoogd, steunden toch grotendeels hun eigen regering. Historici discussiëren tot vandaag over wie de meeste schuld droeg.
Veelvoorkomende misverstanden
“Door de bondgenootschappen moesten de landen automatisch meedoen.”
De verdragen verplichtten minder dan vaak wordt gedacht. Italië was bondgenoot van Duitsland, maar bleef in 1914 neutraal en koos in 1915 de andere kant. Groot-Brittannië had geen bindend verdrag met Frankrijk. Elke regering nam zelf de beslissing om mee te doen.
“Overal in Europa juichten de mensen bij het uitbreken van de oorlog.”
De beelden van juichende menigten in Berlijn, Parijs en Londen zijn echt, maar laten vooral de grote steden zien. Onderzoek naar dagboeken en kranten toont dat veel mensen op het platteland en in arbeiderswijken bezorgd en somber waren.
Hoe weten we dit?
Na de oorlog publiceerden alle landen documenten uit hun archieven, vaak om hun eigen onschuld te bewijzen. Daardoor zijn de telegrammen en notulen van de crisis goed bekend. In 1961 stelde de Duitse historicus Fritz Fischer dat Duitsland bewust op oorlog had aangestuurd, wat een felle discussie opleverde. In 2012 beschreef de historicus Christopher Clark de leiders juist als ‘slaapwandelaars’, die samen in de oorlog gleden.
Wat merk je er nu nog van?
Het debat over de schuldvraag is nog steeds niet beslecht, en het is een klassiek voorbeeld van hoe historici dezelfde bronnen verschillend kunnen uitleggen. De Julicrisis wordt ook gebruikt om te laten zien hoe snel een crisis kan escaleren als niemand een stap terug wil doen.

