Aanloop en oorzaken
In de 11e en 12e eeuw groeide de bevolking snel. Boeren begonnen de grote veengebieden in Holland en Utrecht te ontginnen. Ze groeven sloten om het veen te ontwateren, waardoor de grond inklonk en lager kwam te liggen.
Daardoor kreeg het land steeds meer last van rivierwater. Overstromingen kwamen vaker voor. De Kromme Rijn, die vanaf Wijk bij Duurstede naar Utrecht liep, voerde steeds minder water af en zorgde voor overlast.
Wat er gebeurde
In 1122 werd de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede afgedamd. Het Rijnwater ging voortaan vooral via de Lek naar zee. Dat jaar kreeg Utrecht ook stadsrechten van keizer Hendrik V.
Bewoners legden overal dijken en dammen aan. Ze werkten samen om die te onderhouden. Uit die samenwerking ontstonden later de waterschappen. De oude Rijnmonding bij Katwijk was al eerder verzand. Water uit het binnenland kon daar niet meer goed weg.
Het afdammen van rivieren leidde soms tot ruzie. Wie stroomafwaarts woonde, profiteerde, maar anderen kregen juist meer water. Toch markeert deze tijd het begin van het grootschalige waterbeheer in Nederland.
Gevolgen
Utrecht verloor door de dam zijn directe verbinding met de Rijn. Daarom werd een kanaal gegraven naar de Lek, de Vaartsche Rijn. Waar dat kanaal de Lek bijna bereikte, ontstond een handelsplaats. Ook elders volgden dammen: in 1285 werd de Hollandse IJssel afgedamd.
Om het water te beheren werkten boeren, dorpen en heren samen. In 1255 kregen de heemraden van Rijnland van graaf Willem II het recht om mee te beslissen over waterwerken. Het Hoogheemraadschap van Rijnland geldt als het oudste waterschap van Nederland.
Andere perspectieven
Een dam hielp de mensen benedenstrooms, maar wie bovenstrooms woonde, kreeg juist meer water. Daarom waren er vaak ruzies en rechtszaken over dammen en sluizen. Waterbeheer was in Nederland vanaf het begin ook een kwestie van onderhandelen.
Veelvoorkomende misverstanden
“Het waterbeheer begon met de windmolens.”
Molens om water weg te malen kwamen pas in de 15e eeuw. Eeuwen daarvoor legden mensen al terpen, dijken, sloten, dammen en duikers aan. De molens maakten het later mogelijk om meren droog te malen.
“De Kromme Rijn is een gewone rivier.”
Na 1122 stroomde er geen Rijnwater meer in. De Kromme Rijn werd een klein riviertje, dat water krijgt via een duiker en uit het omringende land. In de Romeinse tijd was het juist een hoofdstroom, die de grens van het Romeinse Rijk vormde.
Hoe weten we dit?
Oorkonden van bisschoppen en graven vertellen wie wanneer een dam of sluis mocht aanleggen. Bodemonderzoek laat zien waar oude rivierlopen lagen en wanneer ze verzandden. In het landschap zijn de oude stroomgordels nog te herkennen aan hoger gelegen ruggen.
Wat merk je er nu nog van?
Nederland telt nog altijd 21 waterschappen, met een eigen bestuur dat door inwoners wordt gekozen. Ze behoren tot de oudste bestuursvormen van het land. De Kromme Rijn loopt nog van Wijk bij Duurstede naar Utrecht, en de Vaartsche Rijn bestaat ook nog.

