Aanloop en oorzaken
In Zuid-Limburg werd al eeuwenlang op kleine schaal steenkool gewonnen, onder meer door de monniken van Rolduc bij Kerkrade. Rond 1900 groeide de vraag naar kolen sterk door industrie, spoorwegen en verwarming.
Nederland haalde veel kolen uit Duitsland en België. Daarom wilden ondernemers en de overheid de eigen voorraden onder Zuid-Limburg beter benutten.
Wat er gebeurde
In 1899 begon de Oranje-Nassaumijn in Heerlen met de winning van steenkool. In 1902 richtte de staat de Staatsmijnen op. Zo ontstonden onder meer de mijnen Wilhelmina, Emma, Hendrik en Maurits. Particuliere en staatsmijnen samen veranderden de streek ingrijpend.
Rustige dorpen groeiden uit tot mijnsteden met eigen mijnwerkerskoloniën. Er kwamen mijnwerkers uit de rest van Nederland en uit landen als Polen, Slovenië, Duitsland en Italië. De katholieke kerk speelde een grote rol in het sociale leven, onder meer via priester Henri Poels.
Na 1960 werden olie en aardgas goedkoper dan kolen. In december 1965 kondigde minister Joop den Uyl in Heerlen de sluiting van de mijnen aan. In 1974 sloot de laatste mijn. De streek moest een zware omschakeling maken.
Gevolgen
De mijnen veranderden Zuid-Limburg van een agrarisch gebied in een industriegebied. Heerlen, Kerkrade, Brunssum en Geleen groeiden snel. Rond 1930 werkte een derde van de mijnwerkers uit het buitenland. Bij de Staatsmijnen ontstond later een chemische industrie, die als DSM bleef bestaan.
Priester Henri Poels zette vanaf 1910 katholieke organisaties op voor mijnwerkers, zoals vakbonden, verenigingen en woningbouw. Daarmee wilde hij de mijnwerkers helpen en tegelijk voorkomen dat ze socialist werden. De mijnstreek kreeg zo een sterk katholiek karakter.
Andere perspectieven
Voor de mijndirecties en de staat ging het om energie en winst. Voor de mijnwerkers was het zwaar en gevaarlijk werk, diep onder de grond, met kans op ongelukken en de ziekte stoflong. Tegelijk gaf het werk zekerheid en een sterk gevoel van saamhorigheid, dat oud-mijnwerkers nog altijd koesteren.
Veelvoorkomende misverstanden
“De mijnwerkers kwamen allemaal uit Limburg.”
Er kwamen mijnwerkers uit heel Nederland en uit het buitenland, onder meer uit Polen, Slovenië, Duitsland, Italië en later Turkije en Marokko. Rond 1930 was een derde van de mijnwerkers buitenlander.
“Steenkool werd in Limburg pas rond 1900 ontdekt.”
De kloosterlingen van Rolduc groeven al in de middeleeuwen steenkool. Rond 1900 begon wel de grootschalige winning met moderne mijnen.
Hoe weten we dit?
De archieven van de Staatsmijnen en de particuliere mijnen, met personeelsregisters en kaarten van de mijngangen, zijn bewaard. Er zijn veel foto’s van het werk ondergronds. Oud-mijnwerkers hebben hun verhalen verteld, en mijnmusea houden die herinneringen levend.
Wat merk je er nu nog van?
In Parkstad staan nog schachtbokken, mijnwerkerswoningen en monumenten. De regio heeft door de geschiedenis nog altijd een eigen karakter, met veel Poolse, Italiaanse en andere familienamen. In het Discovery Museum in Kerkrade wordt het mijnverleden verteld.

